Tuesday 25 July

Door: P. Tjon Kiem Sang

Joop VernooijMet deze bijnaam plaagde ik Joop altijd wanneer ik hem ontmoette. De naam was eigenlijk door het Nederlandse volk gegeven aan paus Johannes Paulus II, na zijn berucht geworden bezoek aan Nederland. ‘Popie’ had daar gewoon de betekenis van paus, maar in het geval van Joop bedoelde ik het als afkorting van ‘populair.’ Wat populair was Joop in ieder geval wel in ons land en bisdom, zowel in positieve als in negatieve zin. Joop had, heel eenvoudig gezegd, zijn ‘eigen stijl’ van priester en missionaris zijn, en dat maakte hem bij sommigen zeer geliefd, en bij weer anderen dan minder geliefd. Joop maakte zich daar echter niet druk om, tenminste dat zei hij altijd. Maar ik heb toch altijd het gevoel gehad dat het hem wel wat deed. Niet dat hij daar verdrietig of boos om werd, en ook niet omdat hij op zoek was naar erkenning of om bevriend te zijn met alles en iedereen. Op zijn eigen ‘bonkige’ manier was Joop toch wel begaan met vrijwel iedereen die hij ontmoette en hij bleef ook die attentie tonen.

In de tijd toen ik Joop nog kende als priester in ons Bisdom, kan ik gerust zeggen dat hij van alle priesters de enige was die altijd op elke verjaardag van zijn collega’s aanwezig was. Al ging het maar om een heel kort bezoekje, hij had het kennelijk tot zijn ‘plicht’ gemaakt om op de verjaardag van de ander attentie te tonen, zelfs al was de ander eentje die hem helemaal niet zag zitten. En hetzelfde deed hij ook met de religieuzen en leken die hij kende. Ik herinner mij nog heel goed toen Joop op mijn verjaardag binnen kwam lopen. Het was de tijd toen ik nog seminarist was en ik verbleef op de Sint-Rosapastorie tijdens de studievakantie. Nog vóór iemand anders mij die dag had gefeliciteerd, kwam Joop die ochtend de trap op met in zijn had een doos chocoladebonbons. “Gefeliciteerd” en “alsjeblieft” waren de enige twee woorden die hij zei. Daarna ging het meteen over iets anders. Ik weet nog dat ik mij afvroeg of hij werkelijk erop uit was geweest om de doos bonbons te kopen, of dat hij die toevallig nog in de koelkast had liggen. Dat maakte echter niet uit. “It’s the thought that counts,” zegt men in het Engels.

Ik denk dat ik best mag zeggen dat ik met Joop ‘goed’ bevriend was. Er zullen natuurlijk vele anderen zijn geweest die ‘beter’ of ‘nauw’ bevriend met hem waren. Maar wat ik mij altijd heb afgevraagd is of er iemand was die ‘intiem’ met Joop bevriend was. En dan bedoel ik hier helemaal geen romantische relatie, maar iemand die hem in het diepst kende. Joop liet nauwelijks of helemaal niets ‘los’ over zichzelf, zijn gevoelens. Hij liet wel merken waar hij lol om had, of wanneer iets of iemand hem ernstig irriteerde. Maar tot daaraan toe. Verder niet.
Dat dacht hij waarschijnlijk. Uit zijn doen en laten was toch veel meer af te lezen, als je daar de tijd voor nam. Er zijn er genoeg geweest die daar misschien geen zin in hadden en meteen na de eerste, de beste ‘onbehouwen’ opmerking van Joop voorgoed met hem hadden afgedaan. Dat was mij ook bijna overkomen. Nadat ik in 1987 had besloten om naar het seminarie te gaan, heb ik dat op de eerstvolgende ontmoeting met Joop enthousiast verteld. Ik kwam echter van een koude kermis thuis. Joops reactie toen was niet bepaald bemoedigend: “Waarom ga je priester worden!?! Zet het liever uit je hoofd! Ga gewoon theologie studeren, kan je als pastoraal werker ingezet worden.” Ik hoef niet te vertellen dat ik nogal verbijsterd was met die opmerking.

Gelukkig heb ik genoeg tijd gehad om hem beter te gaan kennen en ook te waarderen voor wie hij was. Zijn historische kennis – vooral van jaartallen – heeft altijd veel indruk op mij gemaakt, en hij kon feiten uit de geschiedenis soms op een heel smeuiige manier vertellen. Natuurlijk deed hij daar zijn eigen schepje bovenop, en daar moest je altijd op bedacht zijn. Desalniettemin maakte hij geschiedenis spannend en vermakelijk.

Joop was ongetwijfeld een apart mens. Als je hem in de felle zon op zijn grote, zwarte ‘opafiets’ over straat zag, kon je soms wel even je wenkbrauwen optrekken. Wanneer hij op een feestje aankwam met een bonte veelkleurige hemd, moest je wel even de wenkbrauwen fronsen. En wanneer hij dan weer binnen een wip en een zucht een uitgebreid historisch artikel voor je klaar had, moest je van verbazing wel even de ogen sperren. Elke ‘apart’ kenmerk van Joop was opvallend, maar ze wijzen allen in dezelfde richting: de attentie voor de ander. Op zijn fiets was hij op weg naar de ander, in zijn veelkleurig hemd kwam hij op bezoek bij de ander, en met zijn ijverig schrijfwerk deed hij de ander een genoegen, al was het een ‘laatste moment’ verzoek.
Hierom heb ik Joop wel heel veel gewaardeerd en was hij voor mij uiteindelijk een graag geziene gast. Rust zacht, Joop, en rust goed uit!