Saturday 18 November

Stichting Devotie Petrus Donders organiseert een speciale Petrus Dondersmaand van 27 september tot en met 28 oktober 2017. 

  • Op 26 oktober is de petrusdonderslof met aansluitend een verpersviering. Om 19:00 uur in de Kathedrale Basiliek
  • 27 oktober 2017 wordt de 208ste geboortedag van de zalige Petrus Donders herdacht in een special dienst om 12:00 uur in de Kathedrale Basiliek.
  • Op zaterdag 28 okt. bedevaart naar Batavia als afsluitng van de Petrus Dondersmaand. (klikt u hier voor meer informatie bedevaart batavia)

Tilburg
Petrus Donders werd op 27 oktober 1809 geboren in een klein huisje aan de Moerstraat, Heikant, een min of meer aparte gemeenschap met een landelijk karakter aan de noordelijke rand van Tilburg. Zijn vader, Arnold Donders, was net als vele andere Heikantse mannen, huiswever voor een Tilburgse textielfabrikant. De Tilburgse wolindustrie zorgde in die tijd voor werk voor een groot deel van de Tilburgse bevolking.
In 1800 waren bijvoorbeeld op een inwonertal van bijna 8.500 ongeveer 4.500 mensen werkzaam als wever, verdeeld over veertig fabrieken. De huiswevers kregen garen en andere benodigdheden van de fabrikant, weefden thuis de lakens en leverden die af bij de fabriek. De Heikanters verdienden met deze arbeid vaak nauwelijks genoeg om voedsel en kleding voor hun gezinnen te kunnen bekostigen.
Een bescheiden aanvulling leverde het kleine stukje grond dat de meeste families bezaten, soms met een geit. Deze landjes werden doorgaans bewerkt door de vrouwen. Ook het verkopen van opgespaarde urine, vanwege de ammoniak nuttig voor de wol bewerking, leverde wat extra inkomsten op.

Het gezin Donders
Maar al met al leidden de Heikanters een armoedig bestaan onder slechte hygiënische omstandigheden. De meeste mensen werden niet oud en kindersterfte kwam veel voor. Dat bleek bijvoorbeeld ook uit het feit dat Arnold Donders reeds twee echtgenotes en drie jonge kinderen had verloren voordat hij trouwde met Petronella van den Brekel, Petrus' moeder.
Twee jaar na de geboorte van Peerke, zoals Petrus werd genoemd, kregen zij nog een zoon, Martin. Martin leed aan een vergroeiing van zijn ruggengraat, waardoor hij niet zo sterk was. Dit was een extra belasting voor het gezin. Ook Petronella van den Brekel stierf jong, toen Peerke zes jaar oud was. Ruim een jaar later hertrouwde Arnold Donders met Johanna Maria van de Pas, die volgens de overlevering een goede stiefmoeder was voor de beide jongens.

Jeugdjaren
Peerke schijnt al van jongs af aan een vroom kereltje te zijn geweest, dat vanuit een wastobbe preekjes hield voor de kinderen uit de buurt. Later gaf hij hun godsdienstlessen. Na het doorlopen van de lagere school moest Peerke op twaalfjarige leeftijd gaan bijdragen aan het onderhoud van het gezin. Hij leerde eerst om te spinnen, daarna hielp hij zijn vader achter het weefgetouw.
Peerke en zijn vader maakten lange dagen; bij grote drukte werkten zij zelfs op zaterdagavond tot twaalf uur en begonnen ze weer op zondagavond om twaalf uur. Deze noeste arbeid weerhield Peerke Donders er niet van om veelvuldig naar de kerk te gaan. Behalve op de zondagen ging hij dagelijks in alle vroegte ter kerke om te bidden. Hij bad ook graag in de Hasseltse kapel, waar tegenwoordig een gedenksteen herinnert aan zijn bezoeken.

Kleinseminarie
De opleiding tot priester was in die tijd voorbehouden aan jongens uit gegoede Brabantse families. Desondanks was het Peerke's hartenwens om priester te worden. Deze wens uitte hij bij zijn biechtvader van 't Goirke, W. van de Ven. Pastoor Van de Ven moet een priesterlijke aanleg in Peerke hebben opgemerkt, want hij ging op zoek naar enige weldoeners die bereid waren Peerke's studie te bekostigen.
Toen hij die had gevonden, ging hij met de regent van het kleinseminarie Beekvliet in Sint-Michielsgestel praten. De regent bleek met een tekort aan huisknechten te kampen omdat veel jongemannen in het leger dienden vanwege de Belgische Opstand van 1830. Deze omstandigheid bleek te combineren met het ongebruikelijke verzoek van pastoor Van de Ven om een jongen uit een weversgezin toe te laten op het kleinseminarie.
Peerke Donders werd op 22-jarige leeftijd als knecht op Beekvliet aangenomen. In zijn vrije tijd mocht hij studeren. Volgens de overlevering deed hij zijn werk zo vol overgave dat de regent hem na een half jaar toestond overdag de lessen te volgen, zodat hij alleen nog 's avonds als knecht behoefde te werken.

Tot priester gewijd
Met de constructie van knecht/student kozen pastoor Van de Ven en de regent eigenlijk voor een tussenoplossing voor Peerke Donders. Een echte roeping werd niet tegengehouden maar tegelijkertijd werd een mogelijke mislukking ingecalculeerd. Het aannemen van een weverszoon bracht voor de regent namelijk een zeker risico met zich mee. Misschien zou Donders niet kunnen aarden in hogere kringen of zou hij onvoldoende verstand en tact blijken te hebben.
Naar verluidt bleek dat allemaal mee te vallen. Peerke Donders behaalde matige cijfers maar blonk uit in de godsdienstige vakken. Omdat hij niet echt tot de studenten en ook niet echt tot de knechten behoorde, zou Peerke veel zijn geplaagd door de andere seminaristen, wat hij goedmoedig verdroeg.
Toen hij zijn studie op Beekvliet had doorlopen, kreeg Peerke Donders van de president van Nieuw-Herlaar, het grootseminarie indertijd, het advies zich aan te melden bij een kloosterorde. De president vreesde dat Donders' weldoeners hun geldelijke steun niet langer vol zouden houden. In een orde zou Peerke in ieder geval een sterke financiële basis hebben van de gemeenschap.
In Nederland was het door koning Willem I verboden nieuwe kloosters te bouwen of novicen aan te nemen. Peerke week daarom uit naar Vlaanderen en bood zich aan bij drie ordes, die hem alle drie afwezen vanwege een te hoge leeftijd en een gebrek aan kennis. Vervolgens werd hij toch aangenomen op Nieuw-Herlaar. Hij studeerde daar hard en behaalde betere resultaten dan voorheen. Uiteindelijk ging Peerke Donders' wens op 5 juni 1841 in vervulling: op die dag werd hij tot priester gewijd.

Suriname
In 1839 kwam Mgr. Grooff uit Suriname over op zoek naar priesters. Hij had toen in zijn missie nog maar één missionaris. Op het seminarie vertelde hij over de hopeloze situatie: het leed van de slaven, de ellende onder de melaatsen en het tekort aan priesters. Hij vroeg of enkelen met hem mee terug wilden gaan. De enige die zich meldde, was Petrus Donders.
Met het oog op zijn vertrek naar de missie werd zijn priesterwijding vervroegd (juni 1841), maar het duurde nog tot 1842 voor hij vanuit Den Helder kon afreizen. Na 46 dagen varen kwam hij in Paramaribo aan. Wat waren de mensen blij, toen hij aankwam. Maar Mgr. Grooff sprak in zijn welkomstpreek over een “ijzeren kruis”; hij meende Petrus Donders zo duidelijk mogelijk de moeilijkheden te moeten voorhouden.
Suriname was, behalve een smalle kuststrook, één groot oerwoud. De enige vervoerswegen waren kreken en rivieren met stroomversnellingen en allerlei hindernissen zoals rotsblokken en omgevallen bomen. Door de wouden moest men zich kappend een weg banen en het klimaat was moordend.
De Apostolisch Vicaris zei dat de meeste missionarissen vóór hem in korte tijd bezweken waren en hijzelf was al totaal uitgeput. De bevolking was door de slavernij de blanken zeer ongunstig gezind. Op de plantages werden de slaven als vee behandeld en elke priester door de eigenaars zoveel mogelijk geweerd. In de oerwouden was nog nooit een missionaris tot de indianen doorgedrongen.

Kapelaan
Na de preek begon de nieuwe missionaris zelf het credo te zingen, waarin beleden wordt dat Christus voor allen geboren is en geleden heeft. Daarin vond hij kracht om deze moeilijke taak te aanvaarden met een liefde die sterker was dan ooit, omdat hij op het ergste was voorbereid.
Petrus Donders werd benoemd tot kapelaan in Paramaribo om de taal van de gewone bevolking (Sranan) te leren en te wennen aan het klimaat. Tevens werd hem de melaatsenkolonie Batavia toegewezen, een verlaten plantage aan de Coppename-rivier, twee dagreizen ver per korjaal. Ook begon hij vanuit de stad de plantages te bezoeken.
14 jaar is hij kapelaan in Paramaribo geweest. Hij had het elke dag erg druk: godsdienstles voor de kinderen, ziekenbezoek, huisbezoek. Terwijl iedereen in de tropen 's middags vanwege de hitte gaat rusten, sjokte Peerke in zijn zwarte toog onvermoeibaar door.
In 1852 stierf Mgr. Grooff en de kapelaans Schepers en Donders bleven alleen over. Het werk verdubbelde zich, maar Petrus Donders was niet klein te krijgen. De armoedigste slavenhutten werden door hem bezocht, alles wat hij bezat ging naar de armen en zelf leefde hij in zijn bouwvallige pastorie in de grootste armoede.