Thursday 22 June

Boodschap van de PausBoodschap van paus Franciscus voor de Veertigdagentijd

In zijn boodschap voor de Veertigdagentijd neemt de paus de parabel van arme Lazarus en de rijk man als uitgangspunt om ons te waarschuwen voor het kwaad dat veroorzaakt wordt door de zonde van hoogmoed. De paus nodigt ons uit om de persoon van de rijke man goed tot ons te laten doordringen, en nagaan hoe wij op dezelfde manier in dit leven staan, en geen aandacht hebben voor de arme Lazarussen aan onze poorten.

De Veertigdagentijd is een nieuw begin, een weg die leidt naar het zeker doel van Pasen: de overwinning van Christus op de dood. Deze tijd roept ons dringend op tot bekering. Christenen worden geroepen naar God terug te keren “met heel hun hart” (Joël 2,12) om zich niet tevreden te stellen met middelmatigheid, maar te groeien in vriendschap met de Heer. Jezus is de trouwe vriend, die ons nooit in de steek laat. Zelfs wanneer wij zondigen, wacht Hij geduldig op onze terugkeer, en met zijn geduldig wachten toont Hij ons dat Hij altijd gereed is om ons te vergeven.

De Veertigdagentijd is een gunstige tijd om ons geestelijk leven te versterken door de middelen tot heiliging die de Kerk ons aanreikt: vasten, gebed en aalmoezen geven. Aan dit alles ligt Gods Woord ten grondslag en in deze tijd worden we uitgenodigd ernaar te luisteren en diepgaand te overwegen. Hier zou ik willen blijven stilstaan bij de parabel van de rijke man en de arme Lazarus. (Lc. 16,19-31). Laat dit betekeningsvolle verhaal ons inspireren omdat het ons de sleutel aanreikt om te begrijpen hoe wij moeten handelen om het ware geluk en het eeuwige leven te bereiken. Het spoort ons aan tot oprechte bekering.

De ander is een geschenk
De parabel begint met het voorstellen van de twee hoofdpersonen. De arme man wordt in groter detail beschreven: hij bevindt zich in een hopeloze situatie en heeft niet eens de kracht zich weer op te richten. Hij ligt voor de poort van de rijke en eet de broodkruimels die van zijn tafel vallen. Zijn lichaam is bedekt met wonden en de honden komen die likken. Het is een tafereel van grote ellende; het toont ons een mens beroofd van zijn waardigheid, vernederd. De naam van de arme wordt genoemd: Lazarus. Dit is een naam vol belofte. Het betekent letterlijk: “God helpt.” Dit personage is niet anoniem. Zijn trekken worden nauwkeurig beschreven en hij wordt gepresenteerd als een individu met een eigen verhaal. Hoewel hij voor de rijke als het ware onzichtbaar is, wordt hij voor ons een bekende. Hij wordt een gelaat, en als zodanig een gave, een kostbare schat: een mens die door God bemind en gekoesterd wordt, ondanks zijn concrete toestand als verschoppeling.

Lazarus leert ons dat de ander een gave is. Een juiste relatie met mensen betekent dat wij hun waarde in dankbaarheid erkennen. Ook de arme aan de poort van de rijke is niet een hinderlijk sta-in-de-weg, maar een oproep tot bekering en van leven te veranderen. De eerste uitnodiging die deze parabel aan ons doet, is de poort van ons hart voor de ander te openen, omdat iedere persoon een gave is, zowel onze buur, als de onbekende arme. De Veertigdagentijd is een gunstige tijd om de poort te openen voor iedere behoeftige en in hem of haar het gelaat van Christus te herkennen. Ieder van ons ontmoet zo iemand op zijn weg. Ieder leven dat ons tegemoet komt, is een gave en verdient onthaal, respect, liefde. Gods Woord helpt ons onze ogen te openen om het leven op te nemen en het lief te hebben, vooral wanneer het zwak is. Maar om dit te kunnen doen is het noodzakelijk om hetgeen het Evangelie ons over de rijke man openbaart, serieus te nemen.

Zonde verblindt ons
De parabel brengt meedogenloos aan het licht welke tegenstellingen er zijn in het leven van de rijke. Dit personage heeft in tegenstelling tot de arme Lazarus geen naam, hij wordt alleen maar gekwalificeerd als “rijke.” Zijn rijkdom manifesteert zich in de overdreven weelderige kleding die hij draagt. Purperen stof was immers zeer kostbaar, meer nog dan zilver en goud en daarom was het voorbehouden aan ‘godheden’ en koningen, terwijl fijn linnen iemand bijna tot een ‘heilige persoonlijkheid’ verhief. De man stelde zijn rijkdom zeer demonstratief tentoon en pronkte daar dagelijks mee: “Iedere dag vierde hij uitbundig feest” (Lc 16,19). In hem krijgen wij op dramatische wijze een glimp te zien van de verdorvenheid van de zonde, die zich in drie opeenvolgende fasen ontwikkelt: liefde voor geld, ijdelheid en hoogmoed.

De apostel Paulus zegt dat “geldzucht de wortel van alle kwaad is” (1 Tim. 6,10). Het is de hoofdoorzaak van verdorvenheid en een bron van afgunst, wedijver en argwaan. Geld kan ons zelfs zodanig overheersen dat het een tirannieke afgod wordt. In plaats van een instrument te zijn dat ons helpt het goede te doen en de solidariteit met de anderen te beoefenen, kan geld ons en heel de wereld onderwerpen aan een egoïstisch denken, die geen ruimte laat voor liefde en vrede in de weg staat. De parabel laat ons zien dat de hebzucht de rijke ijdel maakt. Hij wil slechts tonen aan anderen wat hij zich kan veroorloven. Maar deze schijn bedekt zijn innerlijke leegte. Zijn leven zit gevangen in uiterlijkheid, de meest oppervlakkige en vergankelijke dimensie van het bestaan.

De laagste trap van dit morele verval is hoogmoed. De rijke man kleedt zich als een koning en waant zich een godheid, en vergeet daarbij dat hij slechts een sterveling is. Voor hen, die door de liefde voor rijkdom verdorven zijn geraakt, bestaat er niets anders dan het eigen ik. De personen die hem omgeven, komen niet in zijn zichtsveld. Het resultaat van de gehechtheidn aan geld is een soort blindheid. De rijke ziet de arme niet, die honger en pijn lijdt, en aan zijn poort ligt. Wanneer wij naar deze rijke man kijken, begrijpen wij waarom het Evangelie zo onomwonden de liefde voor geld veroordeelt: “Niemand kan twee heren dienen: hij zal de één haten en de ander liefhebben, ofwel de één aanhangen en de ander verachten. Gij kunt niet God dienen én de mammon.” (Mt. 6,24).

Het Woord is een geschenk
Het Evangelie van de rijke man en Lazarus helpt om ons goed voor te bereiden op het naderend Pasen. De liturgie van Aswoensdag nodigt ons uit tot het beleven van een ervaring vrijwel gelijk aan die van de rijke man. Wanneer de priester de as op ons voorhoofd aanbrengt, herhaalt hij de woorden: “Bedenkt dat gij van stof zijt en tot stof zult gij wederkeren.” Zoals blijkt, sterven zowel de rijke als de arme man, en het overgrote deel van de parabel speelt zich af in het hiernamaals. De twee personages ontdekken onverwachts dat “wij in deze wereld niets hebben meegebracht en er ook niets uit kunnen meenemen” (1 Tim. 6,7). We zien dan wat er gebeurt in het hiernamaals. Daar heeft de rijke een lange dialoog met Abraham, die hij “vader” noemt (Lc. 16,24-27) en dat getuigt dat hij deel uitmaakt van Gods volk. Deze bijzonderheid maakt zijn leven nog tegenstrijdiger, omdat er tot nu toe nog niets was gezegd over zijn relatie met God. Er was in zijn leven in feite geen plaats voor God. Hij was zelf zijn eigen god.

De rijke man herkent Lazarus pas wanneer hij zich temidden van de folteringen van het hiernamaals bevindt. Hij heeft graag dat dat de arme zijn lijden met een druppel water verlicht. Wat hij van Lazarus vraagt, is gelijk aan wat hij zou hebben kunnen doen maar nooit heeft gedaan. Abraham legt hem uit: “Gij hebt tijdens uw leven uw deel van het goede gekregen en op gelijke manier Lazarus het kwade; daarom ondervindt hij hier de vertroosting, maar gij wordt gefolterd” (Lc. 16,25). In het hiernamaals herstelt zich een zeker evenwicht en wordt het kwaad van het leven gecompenseerd door het goede. De parabel geeft een boodschap voor ons allen. De rijke, die nog levende broers heeft, vraagt Abraham om Lazarus naar hen toe te sturen om hen te waarschuwen. Maar Abraham antwoordt: “Zij hebben Mozes en de profeten, laten ze naar hen luisteren” (Lc. 16,29). En op de tegenwerping van de rijke voegt hij toe: “Als ze naar Mozes en de profeten niet luisteren, zullen ze zich ook niet laten overreden als er iemand uit de doden opstaat” (Lc. 16,31).

Zo komt het ware probleem van de rijke naar voren. De wortel van zijn kwaad is: niet luisteren naar Gods Woord. Dit heeft hem ertoe gebracht God niet meer lief te hebben en de naaste te verachten. Gods Woord is een levend en krachtig, in staat om harten te bekeren en die opnieuw te richten op God. Wanneer wij ons hart sluiten voor het geschenk van Gods woord, sluiten wij uiteindelijk ons hart voor het geschenk van onze broeders en zusters. De Heer – die tijdens de veertig dagen in de woestijn de listen van de Verleider heeft overwonnen – toont ons echter de weg die wij moeten volgen: de ware weg van bekering en Christus alleen te dienen. Onze geestelijke vernieuwing kunnen wij tot uitdrukking brengen door deel te nemen aan de vastenacties die veel kerkelijke organisatie in verschillende delen van de wereld houden. Zo openen wij de poort van ons hart voor de zwakke en de arme, en zullen wij de vreugde van Pasen kunnen beleven en hiervan kunnen getuigen.