Thursday 22 June

sint jan van lateranen buitenkantSint-Jan van Lateranen

De Sint-Jan van Lateranen (Italiaans: ‘San Giovanni in Laterano’) is een van de vier grootbasilieken in Rome. De basiliek is de kathedrale kerk van het bisdom Rome en herbergt de zetel van de bisschop van Rome, de paus. Het is de oudste en in rang meest vooraanstaande van de vier pauselijke basilieken, en wordt daarom ook wel aartsbasiliek genoemd, of moeder van alle kerken.

Het is een vijfschepige, 130 meter lange, basiliek, gewijd aan Christus de Verlosser en de beide Sint-Jannen: de heilige Johannes de Doper en Johannes de Evangelist.

Mater et caput
De officiële Latijnse naam van de Sint-Jan van Lateranen luidt Archibasilica Sanctissimi Salvatoris et Sanctorum san giovanni in lateranoIohannes Baptista et Evangelista in Laterano ('Aartsbasiliek van de Allerheiligste verlossers en de Heiligen Johannes de Doper en Johannes de Evangelist'). De kerk is volgens een bul van paus Gregorius XI (1370-1378) de moeder aller kerken, zoals onderaan op de sokkels van de gevel tot tweemaal toe te lezen valt: Sacrosancta Lateranensis ecclesia omnium urbis et orbis ecclesiarum mater et caput ('de allerheiligste kerk van Lateranen, is van alle kerken in deze stad en ter wereld de moeder en het hoofd'). Evenals alle andere patriarchale basilieken is de kerk in eerste instantie gewijd aan Jezus Christus.

Bisschopszetel
In de Sint-Jan van Lateranen bevindt zich de bisschopszetel ('cathedra') van de bisschop van Rome, dus van de paus. Tot 1870, toen de Kerkelijke Staat ten prooi viel aan het eenheidsstreven van de Italiaanse nationalisten, begaf elke paus zich na zijn verkiezing in feestelijke processie van de Sint-Pietersbasiliek, naar de Sint-Jan om de kerk in bezit te nemen. Tegenwoordig gebeurt dat met auto's. De kardinaal-vicaris van het bisdom Rome is qualitate qua aartspriester van de Sint-Jan. Hij wordt bijgestaan door een groot team van priesters die de dagelijkse zaken voor hun rekening nemen. De paus zelf verschijnt altijd in de Sint-Jan op Witte Donderdag, wanneer hij persoonlijk de ceremoniële voetwassing toedient.

Domus Faustae
De basiliek werd in 313 op last van keizer Constantijn de Grote gebouwd nabij het Lateraans Paleis. Dit paleis was generaties lang eigendom geweest van de adellijke familie Lateranus, die ook al generaties lang bestuursfuncties vervulden voor opeenvolgende Romeinse keizers. De laatste Lateranus die het paleis bewoonde was Plautius Lateranus. Hij werd onder keizer Nero evenwel wegens hoogverraad veroordeeld omdat hij enkele christenen in het paleis had laten onderduiken. Plautius werd ter dood veroordeeld en zijn bezittingen werden geconfisqueerd door de Romeinse keizer. Voordat Constantijn het paleis schonk aan de Kerk, werd het bewoond door Fausta, Constantijns tweede echtgenote. Het paleis werd daarom Domus Faustae genoemd, en kreeg weer de naam Paleis van Lateranen nadat Constantijn het bouwwerk schonk aan paus Miltiades (310-314).

Kerkwijding
De Kerk en het bijbehorende Lateranenpaleis werden in 324 gewijd door paus Sylvester I. Deze kerkwijding wordt jaarlijks op 9 november in de Katholieke Kerk herdacht. De kerk werd tweemaal herwijd. Paus Sergius III wijdde de kerk in de tiende eeuw aan Johannes de Doper, toen het bij de basiliek behorende baptisterium gereed gekomen was. In de twaalfde eeuw werd de basiliek door paus Lucius II bovendien gewijd aan Johannes de Evangelist. Het paleis van Lateranen werd tot 1309 – toen paus Clemens V de wijk nam naar Avignon – bewoond door de pausen, die zodoende naast hun kathedraal woonden. Met het vertrek van Clemens V uit Rome (1309) begon de zogenoemde Babylonische ballingschap die duurde tot 1377. In die periode raakte de Sint-Jan in verval, mede veroorzaakt door een aantal branden die zowel de basiliek als het paleis troffen. Na de terugkomst van de pausen naar Rome waren de Lateraanse gebouwen nagenoeg onbruikbaar. De pausen woonden nu eerst nabij de Santa Maria in Trastevere en later nabij de basiliek van Santa Maria Maggiore, alvorens zich definitief in het Vaticaan te vestigen.

Kadaversynode
Tijdens het bewind van paus Stephanus VII (896-897) werd de basiliek door aardbevingen verwoest. Het waren roerige jaren in in Rome. De periode van het midden van de negende tot het midden van de tiende eeuw werd gekenmerkt door elkaar in rap tempo opvolgende pausen; het gevolg van een langdurige machtsstrijd tussen verschillende Romeinse facties. In die strijd was Stephanus in 896 gekozen. Hij betichtte evenwel zijn voorganger, Formosus, van ontrouw omdat hij – voor zijn verkiezing tot paus en in strijd met het toenmalig kerkelijk recht – bisschop geworden was in het door hem gekerstende gebied dat tegenwoordig in Bulgarije stond. Het was bisschoppen in die tijd niet toegestaan om elders een benoeming te aanvaarden als ze al een ander bisdom bestuurden. Formosus was al bisschop van Porto. Stephanus nu liet zijn voorganger opgraven en terechtstaan in een proces, dat sindsdien bekend staat als de 'kadaversynode'. Na afloop van het proces werden de vingers waarmee Formosus zegende afgehakt. Op het moment dat – eveneens volgens het vonnis – Formosus' lichaam in de Tiber werd gegooid, begon volgens de overlevering een hevige aardbeving, waarbij de Sint-Jan instortte. Stepanus zelf werd uiteindelijk gevangen genomen en terechtgesteld.

Barok
De herbouwde basiliek werd in de veertiende eeuw tweemaal door een enorme brand getroffen. Gezanten trokken naar Avignon om de paus te bewegen gelden ter beschikking te stellen voor de restauratie. Er werden minimale middelen ter beschikking gesteld en de basiliek had tegen het einde van de Middeleeuwen veel van haar grandeur verloren. Pas rond 1650 werd de basiliek – op last van paus Innocentius X – grondig gerestaureerd. Innocentius nam daartoe de van oorsprong Zwitserse architect Francesco Borromini in de arm. Deze trachtte de oorspronkelijke structuur van de basiliek zoveel mogelijk te behouden. Het interieur van de kerk dankt aan Borromini zijn sterk barokke uiterlijk.

Exterieur
De gevel van de kerk werd in 1735 naar een ontwerp van Allessandro Galilei aangebracht. Erbovenop staan beelden voorstellende Christus, de beide Sint-Jannen en de kerkvaders. De klokkentorens aan de achterzijde stammen uit de twaalfde eeuw. In de portiek van de basiliek staat links een beeld van keizer Constantijn. De hoge – groene – middendeuren zijn afkomstig uit het senaatsgebouw op het Forum Romanum, waar ze werden vervangen door kopieën. In de voorhal rechts is de meest rechtse deur de zogenoemde Porta Sancta ('Heilige Deur'). Deze deur wordt alleen in een Heilig Jaar geopend.

Interieur

basiliek van lateranen

In het middenschip van de basiliek staan links en rechts reusachtige beelden van de twaalf apostelen. Het plafond, een creatie van Giacomo della Porta (1537-1602) naar een ontwerp van diens leermeester Michelangelo. Het pauselijk altaar, waaraan alleen de paus of zijn gevolmachtigde de Mis mag opdragen, staat net als in de Sint-Pieter centraal opgesteld. Nabij dit hoofdaltaar worden de hoofden van de heiligen Petrus en Paulus bewaard. Het altaar zelf is gebouwd rondom gedeelten van een houten tafel waaraan Petrus zelf de Mis zou hebben gelezen in het huis van senator Pudens. In de apsis is een vierde eeuws mozaïek te zien, dat geldt als de oudst bekende afbeelding van Christus aan het kruis. Volgens een legende zou dit mozaïek zijn vervaardigd door engelen. Het mozaïek werd later uitgebreid met andere figuren: Maria, Franciscus van Assisi, Petrus, Paulus en de beide Sint-Jannen. Op het mozaïek staat ook paus Nicolaas IV afgebeeld die reikt tot de heup van de overige afgebeelden. Dit om zijn nietigheid ten opzichte van de heiligen aan te geven. In het altaar van de Sacramentskapel wordt een fragment bewaard van de tafel waaraan Jezus en zijn leerlingen het laatste avondmaal gebruikten.

Pauselijke graven
In de Sint-Jan van Lateranen bevinden zich zes pauselijke graven, namelijk die van: paus Sergius IV (1009-1012) paus Alexander III (1159-1181), paus Innocentius III (1198-1216), paus Martinus V (1417-1431), paus Clemens XII (1730-1740) en paus Leo XIII (1878-1903).

Heilige Trap
Tegenover de basiliek van Sint-Jan bevindt zich de Scala Sancta ('Heilige Trap') . Volgens de overlevering is dit de trap die oorspronkelijk deel uitmaakte van het pretorium ('hoodkwartier') van Pontius Pilatus in Jeruzalem. Volgens de legende zou deze trap, waarop Christus zelf gelopen heeft, door de moeder van keizer Constantijn, Helena, naar Rome zijn gebracht tegelijk met andere lijdensrelikwieën als het Heilig Kruis. De trap leidt naar het Sancta Sanctorum ('Heilige der Heiligen'), een bidkapel die vroeger door de pausen werd gebruikt en waar verschillende belangrijke relikwieën worden bewaard. Gebruikelijk is dat gelovigen de trappen op hun knieën beklimmen, waarmee zij sinds paus Pius VII (1800-1823) een volle aflaat kunnen verkrijgen.

Baptisterium
Het Baptisterium van de Sint-Jan (aan de rechterkant van de basiliek) geldt als de oudste doopkapel van Rome. Volgens de overlevering zou Constantijn de Grote hier zelf gedoopt zijn. De kapel stond model voor veel baptisteria van later datum en heeft een achthoekig grondplan. Een dergelijk achthoekige vorm symboliseert de 'achtste scheppingsdag', de dag namelijk waarop de mens door de doop opnieuw geschapen wordt. Op de plek van het baptisterium lagen vroeger de thermen behorend bij het Domus Faustae.

Terug naar boven