Sunday 19 November

Door: Paul Tjon Kiem Sang

De Dood Onder OgenAllerzielen, 2 november, is de dag waarop in de rooms-katholieke kerk alle gelovige zielen van gestorvenen worden herdacht. In verband hiermee bieden wij u onderstaand artikel aan.

Hoe spreek je over de dood? Over dood gaan en dood zijn? Niemand zal ontkennen dat het je ongemakkelijk maakt. Ik bedoel hier niet een wetenschappelijke, religieuze of esoterische uiteenzetting over de dood en wat erna volgt. Ook niet over de emotionele 'roller coaster' die je meemaakt wanneer iemand, die jou heel dierbaar is, doodgaat.
Er bestaan nogal wat theorieen over wat doodgaan betekent en wat er daarna gebeurt als de overgang heeft plaats gevonden, van dit leven, hier in deze wereld, naar wat er ook mocht zijn. Er zijn verhalen van mensen, die "schijndood" waren en weer zijn "teruggekomen." Zij vertellen verhalen over de ervaring van een groot wit licht dat gelukzalig aanvoelt. Hollywood heeft daaromheen in vele films heel wat spannende elementen aan toegevoegd. De bekende film 'Ghost,' uit 1990 met Demi Moore en Patrick Swayze, speelt net als vele andere films in op het diepmenselijk gevoel van 'iets afmaken,' voordat de menselijke ziel voor alle eeuwigheid 'weg' is. In dezelfde trant zijn er verhalen of films, die gaan over de menselijke ziel die 'gevangen' blijft in de aardse dimensie, omdat de ziel die dimensie niet wil 'loslaten.'

Hoewel er mensen zijn die zeer overtuigd kunnen spreken over de dood en wat erna volgt, blijft het allemaal speculatie. Behalve Christus is er niemand ooit teruggekomen uit de dood. We zijn allemaal Gods kinderen, zoals paus Franciscus steeds benadrukt, maar niet zoals de Zoon, die de dood heeft overwonnen. Verhalen en verklaringen over de dood zijn op z'n best 'coping mechanisms,' oftewel manieren waarop wij proberen om het machteloos rondgrijpen in de absolute duisternis op zoek naar antwoorden, een plaats te geven.

"De dood is zo finaal, zo absoluut, dat ik er geen raad mee weet als ik me niet kan vastklampen aan die verhalen," vertelde iemand mij ooit. In feite is dat goed in woorden omgezet wat we allemaal, in meer of minder mate, wel voelen bij de harde confrontatie met de dood. Het hoort bij het proces van verwerken van sterven en dood, zowel door degene die dood gaat, als door de nabestaanden. De bekende stervensdeskundige, Elisabeth Kubler-Ross, heeft baanbrekend werk verricht op het gebied van omgaan met sterven en dood, en hoe anderen daarin bij te staan.
Vooral het laatste kan een wereld van verschil betekenen wanneer je zelf met de grimmigheid van de dood wordt geconfronteerd.

Bij de dood van mijn vader, moeder en twee jongere broers - niet per se in die volgorde - was de worsteling om zinnig om te gaan met de dood heel dichtbij. En iedere keer weer voltrekt zich hetzelfde proces, iets dat kennelijk nooit went. In geen van de gevallen was er sprake van een abrupte, onverwachte of plotselinge dood. Mensen die dat meemaken hebben een heel ander verhaal te vertellen. In mijn geval was er steeds een aanloop tot dat finale moment. Het sterven van de jongste van mijn twee overleden broers zou in eerste instantie wel als onverwachts kunnen worden beschreven. Een hartoperatie door zeer deskundige chirurgen in een vrij goed toegeruste operatiekamer was voor mij geen enkele aanleiding om te denken dat hij er nadien niet meer zou zijn. Toch liep het anders af. Verwoede pogingen tot reanimatie bleven zonder resultaat. Hij werd nooit meer wakker uit de narcose. Alleszins onverwachts, zou je zeggen. Op het moment dat het gebeurde voelde het inderdaad zo aan. Maar temidden van de pijn en het verdriet van zijn heengaan, knaagde diep van binnen wel het weggedrukt besef dat met zijn lichaamsconditie hem geen lang leven was weggelegd in ons midden. Het moment van zijn dood was dan een flinke dreun in je ziel om dat besef te aanvaarden en het niet langer weg te drukken.

Die dreun kwam ook bij het sterven van mijn moeder, andere broer en vader, maar minder zwaar. Er was a.h.w. enige 'aanlooptijd' naar hun sterven, en dat heeft de dreun in kracht doen afnemen. Pijn was er natuurlijk wel, maar die kon enigszins voorbereid ontvangen worden. Ik zeg 'enigszins,' omdat je nooit helemaal voorbereid bent op de dood van een geliefde. Je kan denken dat je het allemaal wel kan opvangen en er goed mee kan omgaan, maar dan komt toch dat ene moment, meteen of enige tijd na de begrafenis, waarbij je ervaart dat jouw zg. 'voorbereidheid' slechts een illusie was. Een van de 'coping mechanisms' waarover Kubler-Ross veel heeft geschreven.

De ultieme houvast om 'goed' met de dood om te gaan blijft uiteindelijk toch het geloof. Ik heb niet ervaren dat in die pijnlijke momenten mijn gebeden zijn 'verhoord.' Ik heb geen 'troost' of 'sterkte' ervaren, die iedereen jou in naam van de Heer toewenst. Goedbedoelde uitspraken als "Hij is nu op een betere plaats" of "Zijn tijd was aangebroken" of zelfs "God heeft het goed gevonden om hem tot zich te nemen" ontlokten bij mij slechts een verontwaardigde reactie: "Wat betekent dat nou in hemelsnaam!?!" De enige 'troost en sterkte' die ik daaruit haalde was het besef dat ook zij uit onmacht niet weten wat te doen of te zeggen. Ook zij worstelen met dezelfde onomvattelijke realiteit van de dood, van het grijpen in het duister. En de verontwaardiging slaat dan om in liefdevol begrip voor hen die jou willen troosten.

Hoe helpt het geloof dan bij het omgaan met de dood? Het helpt bij de aanvaarding. Aanvaarden en ervaren van de pijn. We leven in een wereld die ons steeds meer leert om pijn uit de weg te gaan of om het op z'n minst te verzachten. Ik heb alle begrip voor iemand, die vanwege kanker hevige pijnen moet doorstaan en daardoor morfine krijgt toegediend. Ik denk niet dat ik in zo'n situatie morfine zou weigeren. Die held hoef ik niet te zijn. Maar die andere pijn, die door geen enkel farmaceutisch middel kan worden gestild, moet je jezelf wel laten ervaren en doorstaan. Het klinkt gek, maar het is juist die pijn die jou sterkt en geneest. En niet de troostende woorden, die proberen die pijn te verzachten. Niet alle pijn is nl. een indicatie van kwaad of zonde, zoals sommige christelijke stromingen ons proberen wijs te maken.

Geloof helpt ook bij de aanvaarding van de dood zelf, van de eindigheid van het leven. Ik heb heel lang nagedacht over het 'advies' van een medemens, die wilde troosten toen het leven van mijn broer langzaam wegglipte door de onstuitbare kanker. Als familie hadden we namelijk besloten om hem niet in het kille ziekenhuis tussen vreemden te laten sterven, maar hem naar zijn eigen huis te brengen, omringd door familie. Ze zei: "Zolang er nog leven is mag je de hoop niet opgeven. Blijf bidden, er kan nog een wonder gebeuren." Het gevoel van machteloosheid, dat je heel sterk ervaart bij een mens met een terminale ziekte, kan inderdaad ertoe leiden dat je "de hoop opgeeft." Maar het lijden en sterven van mijn broer hebben mij een ding heel duidelijk geleerd: opgeven en aanvaarden zijn elkaars tegenovergestelden, omdat ongeloof en geloof elkaars tegenovergestelden zijn. De ongelovige geeft op en de gelovige aanvaardt, want de ongelovige ziet een einde, en de gelovige ziet een nieuw begin. De ongelovige vertrouwt geheel en al op deze wereld, waar alle antwoorden, oplossingen en genezingen te vinden moeten zijn, zelfs de wonderen van God. De gelovige weet dat de mens niets weet.

Aanvaarding van de pijn en de dood van mijn ouders en broers heeft tijd gekost en is nog steeds niet af. Misschien is het nooit af zolang ik leef. De dood van een geliefde laat littekens achter, die nooit meer weggaan. Dat is in mijn geval ook zo en ik koester die littekens. Niet als een vat vol zielige smart om in rond te wentelen en mijn wonden te likken; ook niet als een krijger, die met zijn littekens kan tonen hoe zwaar en hard hij gestreden heeft. Maar ik koester ze als tekens van de liefde van pa, ma, Peter en Jessy, die thans eeuwig is. Net zoals de littekens van het kruis, die Christus na zijn verrijzenis voor eeuwig in zijn verheerlijkt lichaam draagt: littekens van pijn, veroorzaakt door liefde en bestendigd als tekens van eeuwige liefde.

Bron: Omhoog, editie nr. 40